In memoriam – jaargedachtenis

Donderdag 31 juli 2014 gingen de gedachten van velen naar Frans (Herman) Andriessen. In dagblad Trouw werd het volgende bericht geplaatst:

Met dankbaarheid gedenken wij onze geliefde leermeester,

inspirator en reisgenoot

Pater Dr. Frans (Herman) Andriessen

* 29-09-1927 † 31-07-2013

In zijn colleges, boeken, woorden en in wat hij ons in

contacten gaf, leeft hij in ons en velen voort.

 Namens velen:

Jan, Ciel, Lia, Wim, Monique, Aline, Tineke, Maria en

Emile, Ria, Anne Marieke, Fia, Yvonne, Rafaël Maria,

Tonny, zr. Anita

Voortzetting

Beste mensen, na het overlijden van Herman/Frans Andriessen a.a.  zal dit preken-blog postuum worden voortgezet. De preken van de voorbije A, B en C-cyclus van de periode 2010-2013 zullen gepost worden op de data van ontstaan. De navigatie en het zoekvenster zullen u helpen de teksten te vinden. De verdere zondagen van de C-cyclus zijn reeds geplaatst.

Veel inspiratie gewenst.

Na een vol en vruchtbaar leven als religieus en priester is na een kort ziekbed,
plotseling overleden dr. Frans Andriessen (Hermanus Crispinus Ignatius)
Geboren te Utrecht 29 september 1927 – Overleden te Nijmegen 31 juli 2013

In overleg met de nabestaanden zal bekeken worden of de serie preken verder gepubliceerd zal worden zoals aanvankelijk het plan was.
Nieuwe preken zal helaas niet meer volgen.
Wil hem gedenken in uw gebeden.

17e Zondag C

Lucas11, 1-13

Jezus noemt God ‘Zijn Vader”. Het komt uit de Joodse traditie: God is Israëls Vader/Moeder en de Israëlieten zijn Zijn dochters en zonen. Maar in persoonlijke gebeden van individuele mensen komt deze naam van God daar nooit zo voor. Wanneer Jezus de leerlingen leert bidden, laat Hij het gebed juist dáármee beginnen: “Onze Vader”, “Vader van ons”. Daarmee begint het meest universele gebed dat de mensheid kent. Voor mij is juist dit “Vader van ons” het hart van de zaak. “Hij is jullie Vader”, is Jezus’ eigenlijke boodschap. Dat sluit erg veel in. Enkele associaties: Houd op Hem aan je eigen ouders af te meten. Probeer je vrij te maken van dat beeld. Hij is niet ‘jouw’ Vader maar ‘jullie’ Vader, jullie gemeenschappelijke Bron en oorsprong, de basis van jullie wederzijdse gemeenschappelijkheid en samen horen. Hij is Mijn Vader én jullie Vader. Dat zegt Hij nadrukkelijk na de Verrijzenis (Jo. 20, 17). Daar zegt Hij dat Hij ons meevoert in zijn goddelijke wereld en noemt hij ons Zijn broeders en zusters. Want wij hebben een gemeenschappelijke Vader, met Hem: “vader van ons”.

Mij valt op dat de vaders, die in zijn beeldverhalen optreden altijd ‘goede’ vaders zijn. De een wacht op de ‘verloren’ zoon en richt een feestmaal aan bij zijn thuiskomst, de ander geeft zijn  kinderen geen slangen als ze om een ei vragen Zijn “Onze Vader” laat de zon opgaan over goede en kwade mensen, is wijngaardenier, verzorgt de wijngaard en plant nieuwe wijngaarden aan, gaat een relatie aan van geest en waarheid, wekt de doden uit hun doodsslaap, bemint de leerlingen, neemt de Mensenzoon in de Glorie op, openbaart waarheid; de engelen van de kinderen zien Zijn Aangezicht, naar Hem gaat Jezus terug, in Zijn Huis ligt voor ons het echte blijven, Hij geeft toegang tot Zijn eigen Volkomenheid, vergeeft ons te kort, geeft Zijn Geest om in de mensen te werken. Hij is een en al belofte.

Van dat alles is ‘Vader’ een metafoor. Hij gaat het beeld dat naar Hem verwijst te boven. Maar Hij wordt zichtbaar in Zijn ‘Ikoon’, Jezus van Nazareth. Hij verschijnt in diens menselijk gelaat en licht op – menen denkers – in elk mensengelaat. Wie mij ziet, ziet de Vader. Wie mij ziet werken, ziet de Vader werken. Wie mij hoort, hoort de Vader spreken. Wie mij vertrouwt, vertrouwt de Vader. Wie met mij onderweg is, is onderweg naar de Vader

 (dit is het laatste preekfragment van Herman/Frans Andriessen)

16e Zondag C

Lucas 10, 18-42

Het gebeurt in “een”of ander dorp”waar Hij is”. Het is bijna een gewoonte geworden om te denken dat het over Bethsaida gaat, dicht bij Jeruzalem. Dit omdat Johannes vermeldt dat daar een Maria, een Martha en een Lazarus woonden, bij wie Hij te gast was. Maria nam een albasten vaas met parfum en zalfde daarmee Jezus’voeten. Lazarus lag mede aan tafel en Martha bediende. Lucas vertelt ook iets dergelijks (7, 36 vlg.) maar dan gaat het over een zondares  en speelt het verhaal in het huis van Simon, een Farizeeër. Je hebt de indruk dat er twee tradities door elkaar lopen. Of dat Lucas het verhaal van Johannes niet kende (zijn evangelie werd aanvankelijk in een heel bepaalde kring leerlingen doorverteld). In ieder geval situeert hij het verhaal niet in Bethsaida. Hoe dit zij, Martha inviteert, het is ‘haar’ huis. Zij is gastvrouw en heeft het dus druk. Het is haar keuze. Maria kiest ook: ze blijft bij Jezus zitten en praat met Hem.
Je kunt hier denken aan een zekere rolverdeling: de een werkt, de ander houdt intussen de hoge gast gezelschap; zo’n gast kun je met goed fatsoen niet alleen laten zitten. Martha wil Hem natuurlijk ook spreken; ze nodigt Hem niet uit om dan zelf de hele dag in de keuken te gaan staan. Normaal zou zijn geweest dat ze Maria een stille hint gegeven had: “Maria, heb je even?” Maar ze wil het Jezus laten zeggen. Dit lijkt nauwelijks fatsoenlijk. In de eerste plaats kun je dat een zo hoge gast niet vragen en in de tweede plaats zet je je eigen zuster niet voor schut. Is ze geïrriteerd; is Maria van de ‘makkelijke soort’; is er altijd al een rivaliteit tussen haar; wil ze Jezus laten merken hoe veel ze voor Hem doet? Of is ze vooral gewoon bedrijvig en neemt ze te veel hooi op haar vork? Zo kunnen we nog heel wat veronderstellingen maken…

Ik kan me nauwelijks voorstellen dat Lucas dit gebeuren vertelt om ons zulke veronderstellingen te laten maken. Wat wil hij met deze ‘anekdote’?
Klassiek is de uitleg dat het hier gaat om twee levensvormen, de contemplatieve (Maria) en de actieve (Martha). Jezus geeft daarin de voorkeur aan het contemplatieve leven; Maria heeft immers het ‘beste deel’ gekozen. Contemplatie heeft dus voorrang op activiteit (om die reden werd op de schaal van het geestelijke het contemplatieve leven dan ook hoger ingeschaald dan het actieve en stonden – staan – kloosterlingen sowieso hoger dan leken….). Jezus zegt die dingen niet. Hij geeft alleen aan dat Maria een ‘goede” (er staat niet ‘beste’) keuze maakt  en dat ze dat van Hem mag.
Eckharts tegendraadse uitleg is bekend. Hij meent dat Maria nog echt leerlinge is op de geestelijke weg. Daarom is het goed wat ze doet: luisteren en opnemen. Martha is al verder: zij is vruchtbaar in de zorg voor Jezus en de gasten. Hij licht toe: Maria was door drie dingen gegrepen namelijk: zij was tot in het diepst van haar ziel geraakt; ze was ook bevangen door een onuitsprekelijk verlangen en wist niet naar wat, ze wilde iets maar wist niet wat; en tenslotte genoot ze van de troost die uit de eeuwige woorden van de Heer op haar toevloeiden. Ook Martha had drie redenen maar dan om te werken: ze wilde ‘de lieve Jezus’ dienen en was daarin al jaren ervaren en geoefend, ze dacht dat  niemand dat zo goed kon als zij; bovendien had ze de wijsheid om haar uiterlijke dienstwerk zo te richten als de innerlijke liefde haar aanwees; en tenslotte ging het haar om de bijzondere waardigheid van de Heer. Dan legt hij uit dat er onder de ‘lieve vrienden van God’ twee soorten mensen zijn. Een aantal willen zich vooral door God laten troosten. Ze zijn uit op verinnerlijking en kunnen daar niet genoeg van krijgen. Het houdt het “hoogste topje’ van hun ziel hoog en voorkomt dat ze zich verliezen in ‘lage’ genoegens. Je moet hierbij denken aan wat de Vlaamse dichter Fleerackers zegt over de begijntjes: “Ze raken de grond maar eventjes”…Maar anderen zijn als Martha. Ze zeggen: Heer, laat ze me helpen. Dat zeggen ze niet omdat ze boos zijn. Het is veel meer een soort ‘tedere bezorgdheid’ of een ‘liefdevol en schelms standje’. Martha kent Maria beter dan Maria Martha. Daar heeft ze lang genoeg voor geleefd en “het leven is de bron van de waardevolste ervaringen; het doet je de vreugde en het licht beter kennen dan alles wat je in dit leven verkrijgen kunt; het maakt de dingen duidelijker dan het Licht van de Eeuwigheid ze duidelijk kan maken.Want het Licht van de Eeuwigheid onderricht ons over ons zelf IN   gemeenschap met God maar niet over ons zelf ZONDER Hem. En zonder God merk je pas het verschil… Dat leert de verrukking in God je nu juist niet. Dát had Martha aan het leven geleerd en zij vraagt Jezus het aan Maria ook te leren en wel  door haar te laten werken”. Wanneer Jezus haar dan twee maal bij naam roept, doet Hij iets heel belangrijks. Want het is de naam die in het Boek van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest staat opgetekend. “Van de mensen die zó nadrukkelijk door Jezus worden geroepen, is nooit iemand verloren gegaan”. Zo gezien zegt Jezus eigenlijk: ‘Martha, jij hebt al wat Maria nog krijgen moet; maar het zal haar niet ontgaan; maak je geen zorg’.
Tot zo ver magister Eckhart. Het is in ieder geval heel iets anders dan de oppositie tussen contemplatie en actie. Integendeel, het een is de weg naar het ander en als zodanig voor iedereen onmisbaar.

Natuurlijk denken we zelf ook na over de tekst. Mijn  uitgangsvraag blijft: Wat wil Lucas met dit verhaal?
Jezus neemt zijn intrek bij twee vrouwen. Dat kan Hem door zijn tegenstanders flink worden aangewreven; nota bene een profeet! Martha is blijkbaar de oudste en ook de voornaamste. De twee hebben Jezus graag te gast maar er moet natuurlijk ook gewerkt worden. Als ik de tekst goed lees, praatten ze aanvankelijk met z’n drieën. Dan gaat Martha aan het werk en verwacht dat Maria ook iets doet. Ze pikt het niet wanneer deze blijft zitten. Jezus gaat op beiden in. Hij karakteriseert Martha met “het vele” en geeft haar de hint “er is maar weinig nodig; zelfs slechts het Ene”. Van Maria zegt Hij: “ze koos het goede deel voor haar; Ik zal haar dat niet afnemen”. Volgens mij kun je ook vertalen: ‘zij geeft een goede bijdrage aan ons samenzijn’.  Jezus laat ieder haar keuze en verbindt aan beide keuzes zijn commentaar. Martha moet oppassen dat ze zich niet in het werk verliest. Maria moet  doen wat nu bij haar past. Hij spreekt tegen Martha over Maria zoals ook Martha met Hem over haar sprak. Martha’s situatie is kwetsbaarder want het vele praktische werk neemt een mens gemakkelijk in beslag. Het vervreemdt ons dan van het eigenlijke, van het “Ene”.
Eckhart spreekt uit ervaring. Hij is een zeer actief man. Hij is ook Dominicaan. Hun devies is: “Wat je in de beschouwing zag, moet je aan anderen doorgeven”. Lucas vindt het – na de uitzending van de 72 – van belang hier op de nadruk te leggen.
De gedachtegang in de tekst loopt van “het vele” naar “het weinige” en vandaar naar ‘het Ene’ en tenslotte eindigt hij in “het goede”. Met de laatste twee verspringt hij naar het geestelijke niveau.

Mij blijft dit “Ene” bezig houden. Waar gaat dat over?
Ons leven is verbrokkeld. We hebben vele rollen en de ‘zorgen des levens’ verdelen ons, innerlijk en onder elkaar. We maken het goede maar heel betrekkelijk waar. We zoeken “de éne parel” maar schaffen ons intussen heel wat kunstparels aan. We willen God toebehoren maar moeten dagelijks met zoveel dingen rekening houden. De studie van de levensloop maakt duidelijk dat we maar heel geleidelijk aan ‘mensen uit één stuk’ worden (zo dat al lukt…) We zoeken de éne alles dragende waarheid maar worden overspoeld met deel-waarheden. We zoeken de eeuwigheid maar liggen “uiteengespat in de tijd” (Augustinus). Jezus waarschuwt: Let op het Ene dat je werkelijk innerlijk verzamelen kan. Realiseer je met hoe weinig of het kan. Laat je niet afleiden van je Bron: één Geest, één Gave, één God. “Alles is het werk van dezelfde Geest”(2 Kor. 12, 1-2). Jezus zegt dat we voor deze  Bron, dit Ene, dit Onverdeelde ontvankelijk moeten worden en blijven. Dat is wat Maria probeert. Dat schept de eenheid en de onverdeeldheid waar we eigenlijk op uit zijn. In ons allen leeft de éne Adem Gods. Die kan in ons leven eenheid scheppen en ons met elkaar verbinden. Zo worden we ‘heel’, mensen ‘uit één stuk’.
Ik denk dat Lucas het daarom van belang vond ons deze ‘anekdote’ mee te delen. ‘Anekdote’ betekent eigenlijk ‘kenschetsende bijzonderheid  voor iemands leven’ Die bekommernis om het Ene kenschetst Jezus van Nazareth. Het geldt ook voor zijn leerlingen….

15e Zondag C

Lucas 10, 25-37

Lukas opent zijn verhaal met de opmerking dat de Wetgeleerde Jezus op de proef wil stellen. Op zichzelf genomen hoeft dat van de geleerde niet kwaadaardig te zijn. Ook wij willen weten waar me met mensen aan toe zijn wanneer ze belangrijk voor ons lijken. Zijn vraag is heel persoonlijk: “wat moet IK doen om eeuwig leven te vinden?” De Joodse traditie kende de idee van “het Boek des levens”. Het was eigendom van God Zelf. Deze schreef er de namen in van de rechtvaardigen (Ps. 139,16; Ex. 32,32). Jezus maakt daarop een toespeling wanneer hij van de 72 leerlingen die van hun reis terugkeren, zegt dat ze vooral blij moeten zijn “omdat hun namen staan opgeschreven in de hemel”. Dat betekent dat ze God toebehoren. De vraag van de Wetgeleerde is zo heel begrijpelijk. Het antwoord is essentieel voor zijn persoonlijk leven. Jezus gaat ook op de vraag in. Maar niet door een rechtstreeks antwoord. Hij doet beroep op wat er in de man zelf  op dit punt leeft. Uit zijn antwoord kan dat blijken. Hij toetst de man op zijn beurt en zegt zo iets als ‘U bent wetgeleerde. Wat leert Uw wet  over uw eigen vraag?’ Het antwoord van de man is perfect. Hij citeert het Boek van de Tweede Wet (Deut. 6,5) en voegt er nog een citaat aan toe uit Leviticus (19,18).  Jezus is het er volledig mee eens. Einde verhaal dus? Nee, want de man weet – juist omdat hij wetgeleerde is –dat het woord ‘naaste’ niet al te duidelijk is. ‘Naaste’ is in ieder geval elke geloofsgeno(o)t(e). Ook de vreemdeling die in Israël woont valt er onder. Maar de andere mensen dan, vallen die ook onder dit gebod van de liefde? Vandaar dat hij doorvraagt: “Wie is dan mijn naaste?”. Dan vertelt Jezus zijn beroemde verhaal.

Je kunt dat verhaal heel anti-clericaal uit leggen: zie je wel dat die lui van de godsdienst niet deugen en eigenlijk hypocriete kerels zijn! Je kunt er ook bij bedenken dat priesters en levieten zich zelf rein moesten houden om hun tempeldienst te mogen verrichten. Ze mochten zich niet ‘verontreinigen’, zeker niet aan eventuele heidenen of mensen die misschien al dood waren. Dat wist ook de Wetgeleerde heel goed. Ze hadden hun dienst in de tempel gedaan en waren nu op weg naar de rozen- en palmenoase van Jericho.
Je kunt het verhaal ook uitleggen als een zekere idealisering van de ‘gewone’ mensen die meteen begrijpen waar het in zo’n situatie om gaat. Daar hoeven ze niet voor te ‘geloven’. Ze hebben een gezond gevoel van medelijden en doen onmiddellijk wat de situatie vraagt. Maar dan blijft staan dat deze ‘gewone’ mens dan wel heel bijzondere dingen doet. Om zeker te zijn dat de waard de man er niet uitgooit, voorziet hij hem rijkelijk van geld en belooft het ontbrekende bij zijn terugkeer af te rekenen. Dat zie ik de meeste ‘gewone’ mensen niet doen.
Ik denk dat Jezus geen van de twee opvattingen bedoelt. Het gaat om de vraag van de Wetgeleerde: wie is mijn naaste? En de man verstaat de pointe heel goed: wie zorg voor de ander heeft, laat zien dat hij naaste is. Anders gezegd: het gaat er niet om precies wettelijk uit te lijnen wie precies je naaste is en wie net niet meer. Je kunt dat niet in regels vatten. Wie zorg draagt voor zijn medemens, desnoods dwars door alle regels heen, die is naaste. Dat is – lijkt me – schokkend voor de Wetgeleerde. Of zat hij al op dat spoor, gezien zijn vraag en zijn onmiddellijke en exacte antwoord?

We hebben neiging om ons tot dit verhaal te beperken en de hoofdvraag uit het oog te verliezen. Die luidt: wat moet ik doen om in Gods levensboek te worden opgeschreven? Daaruit spreekt een ware bekommernis over zijn relatie met God. Hij ziet goed dat dit van doen heeft met de relatie met zijn medemensen. Die twee hangen op de een of andere manier samen. Hij krijgt als antwoord: dat verband zit in je barmhartigheid en je bekommernis om de medemens, wie dat ook is; ook Samaritanen die jullie, wetgeleerden, als afvalligen beschouwen. Anders gezegd: je kunt God niet liefhebben zonder de mensen lief te hebben. Want het meest wezenlijke van God is dat Hij zorg draagt voor al zijn schepselen. In de tekst van Mattheus gaat Jezus zo ver dat de zorg die we aan mensen besteden door de Koning zal worden beschouwd als aan hemzelf bewezen. En nog sterker: de zorg aan mensen niet besteed, is aan de koning zelf onthouden (Mt. 28, 31 vlg). Daar valt alle andere ‘gerechtigheid’ bij in het niet.
Jezus zegt overigens niet dat de twee liefdes hetzelfde zijn, iets wat op het ogenblik menigmaal wordt gesuggereerd. Minstens psychologisch gaat het om twee verschillende dingen. Of dat in God en voor God ook zo is? Ik  kan niet in Gods gedachten kijken en Zijn geheim ontgaat me volkomen maar denk toch dat in God de dingen die voor ons onderscheiden zijn, allemaal één zijn. Hij is onverdeeld. Naargelang we meer in die Eenheid mogen delen, zullen ze ook voor ons hetzelfde worden. Misschien moeten Jezus uitspraken op dit punt wel van hieruit begrepen worden…

Wat mij bij het geheel bezig houdt, is de vraag: Wat is het voor een man die op zulke verhalen kan komen en ze ook nog met gezag en volmacht verkondigt? De Wetgeleerde probeert zijn ‘pentagram’ nauwkeurig uit te lijnen: hij ‘moet’ zich aan de Wet houden; hij ‘kan’ daarmee vaststellen wie zijn naaste is maar ‘mag’ hij zich daartoe beperken of ‘behoort’ hij de zaak verder uit te zoeken. In ieder geval ‘wil’ hij dat wel. Daarom komt hij met zijn vraag. Jezus, die hij vraagt, is een ‘thuisloze’. Hij is niet gebonden aan wetteksten. Ook in die zin kent Hij geen ‘pentagram’ en is Hij ‘thuisloos’. Hij heeft de pure ontvankelijkheid van gemoed en hart gevonden waarin de waarheid omtrent het leven Hem onmiddellijk duidelijk is.

We hebben ons al eerder in de ‘thuisloosheid’ van Jezus van Nazareth  verdiept. Hij is onttrokken aan het veilige ‘thuis’ van menselijke afspraken en regels en aan alles wat zijn geloofsgenoten van de Wet Gods gemaakt hebben. Hij leeft niet binnen een pentagram dat zijn terrein afbakent, zijn mogelijkheden afpaalt. Waaruit leeft Hij dan? Wat is dan wel zijn ‘thuis’?
In een van zijn zaligsprekingen zegt Hij: “Zalig degenen die zuiver van hart zijn want zij zullen God zien”. Ik houd het er op dat zijn volmacht om te doen wat Hij doet en om te zeggen wat Hij zegt, teruggaat op deze zuiverheid van hart. Zijn hart is vrij geworden van alle eigenbelang. Er zit niets meer tussen Hem en zijn God. Hart en gemoed zijn – zoals Hij zelf zegt – de bron van alle goede gedachten, van ons juiste zien en van ons ‘reine’ handelen. Naargelang ze zuiverder en ‘leger’ (Eckhart), delen ze meer in het Wezen van God, zijn ze meer ‘plaats voor Zijn Adem’, die Hij met elke mens deelt. Deze Adem is “eeuwig leven”. Bij de Man uit Nazareth zijn deze zuiverheid en leegte volkomen. Augustinus bedoelt dit ook voor ons wanneer hij zegt dat we geleidelijk door de Geest meer “capax dei”, meer “god-bevattelijk” worden, meer op weg zijn naar deze ‘zuiverheid van hart’.

Zo gezien kunnen we de vraag van de Wetgeleerde opvatten als een vraag naar het ‘zuivere hart’. In de mate dat hij dit verwerft, zal hij God zien en in dezelfde mate zal hij door de Waarheid rechtstreeks geïnspireerd worden tot ‘eeuwig leven’. Want in diezelfde mate zal hij die Waarheid ook doen. “Want wie de waarheid doet, komt naar het Licht opdat van zijn daden blijkt dat ze in God zijn gedaan” (Jo. 3,21). Ik denk dat Jezus’ verhaal opkomt uit Zijn zuivere hart en zijn ontvankelijk gemoed. Daarin “ziet Hij God”. “Ik zeg jullie: de Zoon kan niets doen uit zichzelf maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen”(Jo. 5, 19). In dit ‘zien’ ligt de bron van zijn verhaal.
Voor mij betekent dit dat het er niet zozeer om gaat dat we ons moeten toeleggen op  ‘goede werken van naastenliefde’. Het betekent veeleer dat we ons hart moeten zuiveren. In de mate dat dat ons wordt gegeven, zullen wij God zien en weten wat ons te doen staat.
In Chartres is een raam dat de zondeval en de verdrijving van de mens uit het paradijs afbeeldt. Maar er is iets mee. Na de uitdrijving duikt er ineens  het verhaal van de barmhartige Samaritaan op. Wat wil dat? Het raam zet een preek van Augustinus in beeld. Hij zegt daarin dat Jezus de Barmhartige Samaritaan is die de uitgeplunderde en gewonde mens die langs de weg ligt weer in Gods barmhartigheid opneemt en hem naar de herberg van God brengt. En nog voor hem betaalt ook…
Waarom God dit deed, blijft  Zijn Geheim. Waarom Hij Barmhartig is voor allen, ontgaat ons. Maar dát het zo is, kunnen we ‘zien’, zegt Jezus. Dit is iets totaal anders dan de Wetgeleerde voor ogen staat. Er is geen Wet die aangeeft hoe ver onze naastenliefde moet gaan. Er is één Werkelijkheid: die van de Barmhartigheid van God. Dat is wat Hij ‘ziet”.  “Het Rijk Gods heeft met je zelf van doen”, zegt Hij. “Zelf” staat hier voor ‘hart, voor ons ‘ontvankelijke gemoed’, voor het ‘schouwen’ van God. Wanneer je je daar op toelegt, krijg je al het andere cadeau.
In die zin gaat het verhaal niet over de Samaritaan. Ik weet niet of hij (in het verhaal) dit zuivere hart en gemoed had. Degene die het verhaal vertelt, bedenken kan, uitzeggen durft heeft ze; om Hem gaat het. Hij zet de Wetgeleerde op het spoor naar zijn vader. Wie Die ‘ziet’, weet wat hij te doen heeft. Het is een spoor zonder eind….